nl

De Kempenaerstraat 11B
1051 CJ Amsterdam

+31 20 894 36 28
jongens@eenvandejongens.nl

Maatschappij-
leer
Verslag ‘burgerschaps-
tour’

Maatschappijleer - Verslag ‘burgerschapstour’






8 juni 2016

Jeroen Bron

Vathorst College Amersfoort

Vathorst College Amersfoort



De laatste bijeenkomst van de burgerschapstour vond plaats op het Vathorst College in Amersfoort. In tegenstelling tot de eerdere bijeenkomsten met leraren, namen nu alleen leerlingen deel. Die insteek is typerend voor het Vathorst college waar verschillende vormen van leerlingenparticipatie op een zo natuurlijk mogelijke manier in de schoolcultuur zijn verweven. De school heeft gekozen voor thematisch onderwijs. Binnen thema’s worden allerlei aan burgerschap verwante onderdelen geïntegreerd. De school zit dan ook niet te wachten op strakke kaders: zij benut de aanwezige ruimte om bijvoorbeeld burgerschap uit te werken. Daarbij is de merkbaarheid van deze aanpak veel belangrijker dan het meetbaar willen maken van burgerschap, om maar even te spreken in termen van Onderwijs 2032.

Een uitgangspunt in het onderwijs van het Vathorst is: meerwaarde. Wat is de meerwaarde voor de leerling, hoe kan een leerling van meerwaarde zijn voor een ander en voor de omgeving. In diverse thema’s wordt ook de verbinding met de samenleving gezocht: leerlingen de school uit of gasten de school in. Zo deed de school een uitgebreid project met vluchtelingen. Een ander uitgangspunt is het belang dat wordt gehecht aan de pedagogische drieslag: positivisme, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Burgerschap moet dan ook niet gebaseerd zijn op angst of op het voorkomen van narigheid, maar heeft een waarde op zichzelf: zowel voor de leerling, de school als de samenleving.

Terug naar de bijeenkomst. Voor de documentaire werd gestart, stelde de gespreksleider de vijftig aanwezige leerlingen de vraag: Wat houdt burgerschap in en wanneer ben je een goede burger? “Actief meedoen aan de samenleving”; “Goed meedoen”; “Weten van de Nederlandse cultuur en samenleving”; “Als je de taal spreekt de waarden en normen kent”; “Meedoen aan de economie”; “Je aan de wet houden”; “Respect voor elkaar hebben”; “Niet stelen”.

Vervolgens werd de documentaire vertoond. De leerlingen volgden het verhaal van startende leraar Daan met belangstelling. Wat ook hielp is dat Daan vanmiddag zelf aanwezig was op het Vathorst College. Van tijd tot tijd ontving Daan meelijwekkende blikken van de leerlingen, met name als hij in de docu weer eens een berisping van de stagedocent krijgt. De uitzending wordt afgesloten met een hartelijk applaus.

In de nabespreking wordt ingegaan op onderdelen uit de documentaire zoals de aandacht voor de aanslagen in Parijs die ook op het Vathorst niet onbesproken is gebleven. Vluchtelingenproblematiek is ook hier op school aan de orde geweest. Vluchtelingen kwamen op school en gingen met de leerlingen in gesprek. Dit was een goede manier om de persoon achter de `vluchteling’ te zien. Ook is een theatervoorstelling over en met vluchtelingen opgevoerd.

Leerlingen zien de meerwaarde van discussie in de klas. Hierdoor hoor je toch weer andere opvattingen en meningen. Op de vraag of er wel echt tegengestelde meningen bestaan op school, geven leerlingen aan dat je dat vooral merkt in gesprekken met medeleerlingen buiten de les.

De leerlingen zijn wel te spreken over de sfeer op hun school. De leraren zijn open en respectvol. Er wordt weinig gestraft. De relaties op school zijn goed, zowel tussen leraren en leerlingen en tussen leerlingen onderling. Omgangsvormen hoeven niet besproken te worden, die leer je vanzelf wel. Dit illustreert het uitgangspunt: burgerschap moet vooral merkbaar zijn in het schoolklimaat.

Het valt de leerlingen op in de documentaire dat de stagiair Daan een houding heeft waarbij leerlingen worden uitgenodigd om hun mening te geven terwijl je bij de oudere (stage) docent ziet dat niemand wat zegt uit angst om wat verkeerds te zeggen. Het is goed dat docenten vragen stellen aan leerlingen om zo een gesprek te beginnen, “als het maar geen vragen zijn om te controleren of je wel oplet”. Het vak maatschappijleer dat in de docu centraal staat vinden leerlingen wel relevant: “kennis van de samenleving is belangrijk, bijvoorbeeld om het nieuws te begrijpen”.

Desgevraagd geeft Daan aan dat hij zeven maanden is gevolgd door een cameraman en geluidsvrouw. Wekelijks werd er gefilmd. Van zo’n opnamecyclus heeft hij wel meer inzicht gekregen in de wijze van televisiemaken. Door het knippen en plakken wordt een verhaal opgebouwd uit fragmenten die in werkelijkheid niets met elkaar te maken hebben. Zo bereidde Daan de lessen doorgaans erg goed voor, al lijkt dat niet zo te zijn in de documentaire. Een kritische houding t.o.v. de media blijft noodzakelijk!






31 mei 2016

Jeroen Bron

Carmel College Emmen

Carmelcollege Emmen



Het Carmelcollege Emmen is een brede confessionele scholengemeenschap met ruim 1700 leerlingen. Deze heeft als doelstelling het opleiden van jonge mensen tot verantwoordelijke wereldburgers, die op een creatieve, kritische en zinvolle wijze bijdragen aan de samenleving waarvan zij deel uitmaken. Dat betekent dat leerlingen nu en later hun grenzen durven te verkennen en bereid zijn om andermans grenzen te respecteren, verantwoordelijkheid durven te dragen en iets durven te betekenen voor een ander.

Aan de discussiemiddag neemt een beperkte maar zeer divers samengestelde groep leraren deel. Alle onderwijsniveaus van zowel de onder als bovenbouw zijn aanwezig en de vakachtergronden variëren van lichamelijke opvoeding en Duits tot levensbeschouwing, geschiedenis en maatschappijleer. Een deel van de aanwezigen maakt deel uit van een Carmel-breed overleg over “bezield onderwijs”.

Er wordt eerst vrij lang stil gestaan bij de vraag wat we verstaan onder burgerschapsonderwijs. Er komt een gesprek op gang waarbij deelnemers elkaar bevragen en aanvullen. Het gesprek begint met het noemen van het belang van kennis en vaardigheden die nodig zijn om een beredeneerde stem uit te brengen bij de verkiezingen: leerlingen moeten weten waarop ze stemmen en wat hun eigen opvattingen zijn. Van daaruit gaat het over het bieden van een tegenwicht tegen de invloed van de media. De media polariseren, er is geen ruimte voor nuances, bepaalde zaken worden uit hun verband gehaald of uitvergroot. Leerlingen moeten kritisch zijn over mediaberichten en nagaan of die berichten wel kloppen. Het achterhalen van de waarheid en van feiten is van belang.

Geleidelijk aan verschuift het gesprek naar attituden en houdingen: hoe dien je je te gedragen, wat voor boodschap geef je af met je kledingkeuze, begrip tonen voor andersdenkenden, empathie voor de medemens ontwikkelen, bewust omgaan met sociale media.

Ondanks de kritische houding ten opzichte van de media, vinden de aanwezige leraren wel dat de school aandacht moet hebben voor de actualiteit. Zeker in het vmbo wordt maar weinig naar het nieuws gekeken. Ook als zich een ernstige gebeurtenis voordoet moet de school daar op ingaan. Parijs en Brussel heeft zeker aandacht gehad op het Carmelcollege. De week- of dagopening leent zich bij uitstek voor het bespreken van de actualiteit en wat dat met de leerlingen doet. Leerlingen hebben behoefte om zaken als Parijs te bespreken. Het is dan ook zaak om al te erge ongerustheid bij leerlingen wat weg te nemen zodat zij zich wat veiliger voelen.

De leraren concluderen dat op school weinig expliciet over burgerschap wordt gesproken en er is ook geen samenhangend aanbod in de zin van een leerlijn, maar burgerschap bevindt zich wel overal in de school: zowel in de vakken als in de omgangsvormen. Leraren zitten daarbij ook meestal wel op één lijn. Het gesprek verschuift naar de vraag of je in eerste instantie leraar bent en daarna vakspecialist of omgekeerd. Het eigen vak is natuurlijk belangrijk maar geen van de aanwezigen vindt dat de pedagogische kanten van het leraar zijn veronachtzaamd kunnen worden.

Er komt wel steeds meer op leraren af. Niet alleen omdat er veel gebeurt in de samenleving, maar ook omdat ouders steeds meer opvoedingstaken afschuiven op de school en daarbij ook nog eens hoge verwachtingen hebben. Zo moet de school compenseren voor zowel de beeldvorming uit de media als de kleiner wordende rol van ouders in de opvoeding. Leerlingen worden thuis bijvoorbeeld veel minder aangesproken op hun kleding of op het hebben van slechte cijfers. De school biedt diverse inhoudelijke thema-avonden aan waarin wordt ingegaan op zaken als pesten, gezondheid, mediawijsheid.

Bij het noemen van de plannen “Onderwijs 2032” van de staatssecretaris gaat in Emmen geen belletje rinkelen. De voorstellen om invulling te geven aan burgerschap krijgen weinig bijval. “Als dit ook allemaal moet, dan blijft er geen tijd meer over voor het eigen vak”. Het invulling geven aan burgerschap gebeurt zeker wel, maar hoeft niet zo precies voorgeschreven te worden.






30 mei 2016

Natasja de Kroon

Wermancollege: Stadslyceum Groningen

Wermancollege: Stadslyceum Groningen



In 1998 maakte Natasja de Kroon een studiereis naar Zweden. Op elke (voor)school die zij bezocht, vertelden docenten dat zij misschien wel het belangrijkste werk verrichten dat er bestond. Waarom? ‘Omdat hier, op school, het fundament voor onze democratie wordt gelegd,’ zeiden ze. ‘Hier leren kinderen hoe ze met elkaar omgaan en hoe ze in de wereld komen te staan.’ Maandag schoof Natasja aan bij docenten van het Werkman College in Groningen, voor een gesprek over burgerschapvorming, onderdeel van een scholendebatreeks.

Twintig jaar geleden is het alweer bijna. Maar die ervaring – en de reactie van de Zweedse docenten – vertel ik nog steeds als het gesprek bij gelegenheid over het waartoe van onderwijs gaat. Omdat ik er zelf ook écht in geloof. Dat wij met ons onderwijs het verschil kunnen maken. Op mijn eigen kindercentrum, de Buitenkans, heb ik gemerkt dat het echt werkt om met (jonge) kinderen te werken aan vriendschap en verbondenheid. Jezelf leren kennen, begrip krijgen voor elkaar en verdraagzaam zijn, is in mijn ervaring leerbaar.

In mijn dagelijks werk als Geluksvogel ervaar ik keer op keer wat er gebeurt als kinderen psycho-educatie krijgen over gevoelens, en elkaar en hun leerkracht beter leren kennen. Niet voor niets ben ik erg geïnteresseerd in het debat over burgerschapsvorming. Daarom schoof ik op maandagmiddag 30 mei aan bij docenten en andere werknemers op het Werkman College in Groningen. Deze bijeenkomst maakt deel uit van een ‘burgerschapstoer’ langs tien middelbare scholen, georganiseerd door de VPRO naar aanleiding van de documentaire Maatschappijleer.

Ter introductie van deze 2Doc wordt gesteld dat de overheid een steeds groter beroep doet op het onderwijs om maatschappelijke problemen, zoals radicalisering, tegen te gaan. De vraag is hoe de scholen hier nu mee omgaan en wat hun ideeën voor de toekomst zijn, zeker ten aanzien van burgerschapsvorming. In het gesprek wordt mij al snel duidelijk dat op het Werkman College veel aandacht is voor de omgang met elkaar. Het pedagogisch klimaat is goed en kenmerkt zich door tolerantie. Maar ook door duidelijkheid over wat er daarbij van kinderen wordt verwacht, namelijk respectvol gedrag. Hierop worden de scholieren door elke docent aangesproken. Het gevolg is dat docenten vaak complimenten krijgen als ze met hun leerlingen musea of andere gelegenheden bezoeken.

Lastiger wordt het als leerlingen later instromen. Zij moeten soms erg wennen aan de cultuur binnen de school. Er wordt veel ruimte gelaten aan elk individu, maar soms slaat dit door in het gevoel dat alles kan. Vaak komt dit goed, maar niet altijd. Niet elke leerling past bij de school en de school past niet bij iedere leerling.

Een docent geeft aan dat het Werkman College al 21 jaar bekend staat om de goede sfeer, ‘zonder dat we het er met elkaar over hebben.’ Maar er bestaan wel hele duidelijke beelden van. En – zo wordt mij duidelijk – er wordt flink gewerkt aan verbondenheid binnen de school. Een mooi voorbeeld hiervan zijn de peer mediators – leerlingen uit de vierde klas die een heel schooljaar lang verbonden zijn aan een eerste klas. Zij weten als geen ander hoe het is om nieuw op school te komen en tegen welke problemen je als brugklasser aan kunt lopen. Bovendien spreken zij eenzelfde taal. Bij ruzies en conflicten worden de peer mediators ingeschakeld. Zo wordt een conflict niet vanuit macht, maar vanuit gelijkwaardigheid opgelost.

Aan het eind van de derde klas kunnen kinderen solliciteren naar een rol als peer mediator. In de laatste schoolweken krijgen ze een training en op de laatste woensdag voor de vakantie vangen zij de aanstaande brugklassers op en begeleiden ze naar hun lokaal. Meteen aan het begin van het schooljaar gaan alle eersteklassers op kamp. Zo kunnen kinderen en docenten elkaar leren kennen, maar ook de peer mediators gaan mee. Zo zorgen voor een soort van inburgering in de cultuur van de school.

Gedeelde verantwoordelijkheid
Een belangrijke waarde op het Werkman College is gedeelde verantwoordelijkheid. Leerlingen en docenten werken samen aan een leuke schooltijd en het behalen van een diploma. In de omgang met leerlingen staat gelijkwaardigheid centraal. Docenten worden met jij en met hun voornaam aangesproken. Leerlingen hebben ook toegang tot de docentenkamer. In alles wordt uitgegaan van wederzijds respect en vertrouwen.

Tijdens het debat over burgerschapsvorming zijn docenten uit verschillende vakdisciplines aanwezig. Stuk voor stuk vertellen zij hoe maatschappelijke thema’s terugkeren in hun vak. Tijdens de taalvakken wordt er bijvoorbeeld naar het nieuws gekeken – en over actualiteiten gediscussieerd. De docente geeft aan dat de buitenwereld steeds harder binnenkomt, onder andere door social media. Hierdoor sijpelen maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in elk vak door. Ze geeft aan dat ze graag meer training zou willen krijgen om dit soort gesprekken te kunnen begeleiden. Nu wordt er veel van docenten verwacht, zonder dat ze zich hier voor toegerust voelt. Ook de behoefte om als docent met elkaar te praten, om af te stemmen hoe je grote gebeurtenissen bespreekt in de klas, is groot.

Ook bij lichamelijke opvoeding speelt burgerschapsvorming een rol. De docent vertelt hoe de gymdocenten het accent vooral op de omgang met elkaar leggen. Leerlingen worden aangesproken op de wijze waarop ze met elkaars (on)mogelijkheden omgaan. Het gaat er niet alleen om hoe ver of hoog ze kunnen springen, maar ook en vooral om hun inzet, gedrag en sociale vaardigheden.

Een paar docenten geven aan dat het soms best lastig is om leerlingen te laten discussiëren vanuit (politieke of sociaal-maatschappelijke) standpunten. Vooral in Havo 4 laten de leerlingen zich niet makkelijk uit de tent lokken. Vaak overheersen politiek correcte standpunten. De vraag wordt gesteld of leerlingen met afwijkende meningen zich binnen de cultuur van deze school durven uit te spreken. Hier ligt een uitdaging voor docenten. Een docente vertelt hoe zij leerlingen uitlokt door iets van zichzelf te laten zien. Door zich kwetsbaar op te stellen, durven haar leerlingen ook meer te zeggen.

Als het Werkman College representatief is voor ons onderwijs, hebben scholen veel in huis als het gaat om burgerschapsvorming. Maar – stelt een van de docenten – scholen hoeven niet alle problemen in Nederland op te lossen. Wat scholen wel kunnen doen ligt vooral op het terrein van het begeleiden van groepsprocessen, want daarin is veel te leren. Daarnaast liggen er grote kansen in de kennismaking, in de ontmoeting. ‘Dus waarom gaan wij niet met leerlingen op bezoek bij een AZC, we gaan toch ook met ze naar het Binnenhof?’ stelt een docent tegen het einde van het debat voor. Er is in elk geval tijd nodig om burgerschapsvorming verder te integreren in hun onderwijspraktijk, bijvoorbeeld in de projecten. Maar ook in een vak zoals geschiedenis, wordt er aangegeven, waar de focus moet worden verlegd van eurocentrisch naar wereldgeschiedenis.

Om 16.30 uur stort ik mij in het drukke verkeer, terug naar Heerenveen. Links en rechts word ik ingehaald door automobilisten die de verkeersregels negeren. Het ergert me. Niet alleen omdat ik naar huis wil, maar ook en vooral omdat het niet strookt met het gemeenschapsgevoel dat ik zojuist ervaren heb. Ik merk dat ik onder de indruk ben geraakt van de wijze waarop deze school met dit thema omgaat. Zo’n school gun ik ieder kind!






30 mei 2016

Daan Zeijen

Mavo aan Zee

Mavo aan Zee



Een grote groep van ruim vijfentwintig docenten doet mee aan het gesprek over burgerschap in het onderwijs. Mavo aan Zee in Den Helder heeft burgerschap op de kaart gezet, introduceert de schooldirecteur. Allerlei aspecten van burgerschap die in de verschillende lessen aan bod komen, heeft men besloten, zouden het best kunnen worden gebundeld in een apart vak. We spreken over de manier waarop de verschillende docenten aankijken tegen burgerschap en hiermee omgaan in hun lespraktijk.

Verschillende belangrijke aspecten van burgerschap passeren de revue. De scholengemeenschap Scholen aan Zee heeft een aantal kernwaarden, maar dat zijn 'containerbegrippen', zegt de directeur. De docenten noemen onder meer veiligheid, respect, het kunnen omgaan met informatie ('niet alles wat je op Facebook leest is waar'), en het kunnen inleven in het perspectief van een ander als elementen van burgerschap. Er worden verschillende voorbeelden genoemd waarin deze waarden een rol spelen in de school, zoals een docent die een leerling aanspreekt wanneer die 'Hé' zegt in plaats van 'Goedemiddag', en een ander die leerlingen die anderen pesten na de les bij zich roept.

Over de inhoud van de lessen komen verschillende geluiden naar voren. Een van de docenten vindt het prettig dat sommige actuele thema's worden 'afgedekt' door het aparte vak burgerschap, waarin deze in ieder geval besproken worden. Tegelijkertijd geven de docenten van dat vak en van maatschappijleer aan dat zij niet de volledige taak van burgerschapsvorming op school op zich kunnen nemen, en zien ook andere docenten elementen van burgerschap terugkomen in hun lessen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de leraar Duits die zijn lessen begint met het kijken van het '100-secondenjournaal', en de docenten gym die actief aandacht besteden aan respect en gelijkwaardigheid. Waar aan het begin van de middag een aantal docenten vragen hadden over wat hun werk als vakdocent te maken heeft met burgerschap, maakt het bespreken van deze gedeelde waarden op school duidelijk dat het thema steeds speelt: 'Ik denk dat heel veel zaken wel gebeuren, maar je staat er niet altijd bij stil.'

Veiligheid is een thema dat vaker terugkomt. De directeur noemt de aanpak van probleemgedrag een 'spectrum', met aan de ene kant een strenge, harde strafgerichte benadering, een aan de andere kant een persoonlijke, communicerende aanpak. Deze tweede past beter bij de schoolcultuur van Mavo aan Zee, en een van de docenten suggereert dat die warme, persoonlijke benadering ook karakteristiek is voor mavo-docenten. Wel is het zoeken naar een balans, en zijn er docenten die zeggen dat een strengere benadering van sommige leerlingen (dan nu het geval is) nodig is om de veilige sfeer in de school te creëren en beschermen.

Een aantal docenten geven aan dat kinderen steeds slechter worden opgevoed door hun ouders, en dat dit betekent dat er een grotere taak ligt bij de school om kinderen waarden als respect bij te brengen. Op spreekavonden komen de ouders die je juist zou willen spreken niet naar school, geeft een van hen aan. De schooldirecteur erkent dat er wat het contact met ouders betreft nog veel verbeterd kan worden. Door een experiment met gepersonaliseerd leren heeft men ervaren dat het voeren van de dialoog met ouders erg belangrijk is om leerlingen op school goed te kunnen laten functioneren. Deze dialoog staat in de kinderschoenen, maar is nu al een eye-opener gebleken. In de toekomst zijn er onder meer plannen om interactieve ouderavonden te organiseren, waarbij ouders zelf kunnen kiezen uit een aantal thema's waarover ze in gesprek willen gaan.

De docenten willen aan andere scholen meegeven dat het belangrijk is om veiligheid te creëren. Daarbij horen onder meer een betrokken maar duidelijke aanpak richting leerlingen en het aanspreken van leerlingen op vooroordelen – een van de docenten zei laatst: 'Die rooie langneus is heel goed in wiskunde, en jij niet zo, dus zou je hem niet kunnen vragen of hij je wil helpen?'. Verder wordt het leren omgaan met informatie erg belangrijk gevonden. Docenten kunnen hieraan bijdragen door in discussies leerlingen uit te dagen om verschillende kanten van een probleem te zien, en door de actualiteit in de les te betrekken (bijvoorbeeld door het (jeugd)journaal te kijken op school).

Tot slot zijn de docenten op deze school van mening dat het goed is om inzichtelijk te maken wat iedere docent in zijn les doet aan de thema's van burgerschap. In plaats van extra rompslomp wordt dat op Mavo aan Zee vooral gezien als mogelijkheid om vakoverstijgend en daarmee efficiënter aan bepaalde thema's aandacht te besteden. Uiteindelijk blijft het beeld over van een school met een vooruitstrevende blik op het thema burgerschap. De schoolleiding en docenten erkennen dat de romantische visie op de website nooit samenvalt met de praktijk – bijvoorbeeld in de al genoemde discussies over het creëren van veiligheid en de aanpak van probleemgedrag – maar het lijkt er door de betrokkenheid van de docenten en de openheid voor nieuwe initiatieven op dat de gewenste terreinwinst ook geboekt kan worden.






27 mei 2016

Daan Zeijen

Oostevaarders College Almere

Oostvaarders College Almere



Op het Oostvaarders College spreken we met betrokken docenten en schoolleiding over burgerschap. Wat betreft de inhoud van dat begrip benadrukt men vooral het belang om leerlingen kritisch te laten denken, door alle kanten van een thema te belichten, en hen te stimuleren om hun mening te geven en met elkaar in gesprek te gaan. Over de pijlers van het platform 2032 merken sommige docenten op dat de focus op mensenrechten en de democratische rechtstaat een specifieke en mogelijk eurocentrische invulling is van burgerschap. Het aspect 'kritisch denken' zou volgens de docenten een eigen plek in de pijlers verdienen.

De school heeft 'burgerschapsvorming' niet bewust gedefinieerd. Dat wil echter niet zeggen dat er niets aan dit thema gedaan wordt. Op het OVC zijn er veel projecten waarbij leerlingen werken met thema's van burgerschap, zoals de verschillende Unesco-activiteiten – het OVC is een van de Unesco-scholen in Nederland – waarbij leerlingen bijvoorbeeld via spelvormen leren om op een respectvolle manier met elkaar te spreken over maatschappelijke dilemma's. Verschillende docenten benadrukken dat er veel ruimte is voor initiatieven als een talentklas, buitenlandreizen, enzovoort. Daarbij speelt ook mee dat het OVC een grote school is, waardoor docenten veel eigen vrijheid ervaren.

Wat de reguliere lessen betreft zijn er veel verschillen tussen docenten en lessen in de aanpak van burgerschapsvorming. Het al genoemde kritisch denken en met elkaar discussiëren wordt door veel docenten gestimuleerd, en de tevredenheidsenquête geeft aan dat leerlingen zich op het OVC bovengemiddeld veilig voelen om hun mening te uiten. Twee van de docenten merken daarbij op dat het belangrijk is dat de docent prikkelt, maar zijn of haar eigen mening zoveel mogelijk buiten de discussie laat. Een ander geeft aan dat hij regelmatig de actualiteit bespreekt in de les, maar dat dat wel in het programma voor die dag moet passen. Daarbij er is niet altijd zicht op de manier waarop andere collega's met discussies omgaan, en blijven er regelmatig kansen liggen. Dat bleek bijvoorbeeld na de aanslagen in Parijs, toen er – vanuit de maatschappijleerdocenten – een aantal 'handvatten' werden geformuleerd en rondgestuurd die docenten konden gebruiken in het gesprek. Sommige docenten waren hierover heel enthousiast, maar anderen vonden het moeilijk om hier op een goede manier vorm aan te geven ('handelingsverlegenheid'). In de lerarenopleidingen zou volgens de OVC-docenten meer aandacht besteed moeten worden aan deze vaardigheden om het gesprek met leerlingen aan te kunnen gaan.

De aanwezigen beamen dat er al veel aan burgerschap wordt gedaan op het OVC, zowel in de reguliere lessen als in de diverse projecten. 'Het aanbod van jaar 1 tot jaar 6 zit goed in elkaar', merkt een van hen op. Wel kan het draagvlak om aandacht te besteden aan burgerschap in de lessen nog worden verbreed, met name bij de bètavakken – het is de bedoeling dat er in alle vakken ten minste één van de 'Unesco-thema's' wordt behandeld, en er is vertrouwen in dat dat zou moeten kunnen.

Het OVC heeft een gemengde populatie, zowel wat betreft de demografische en culturele kernmerken van de leerlingen als het onderwijsniveau. De culturele tegenstellingen zijn, geven de docenten aan, echter niet zo extreem als op de scholen waarover in de media bericht wordt. Het 'multiculturele drama' speelt niet op deze school, formuleert een van hen. De aanwezigen vinden dat de politiek zich met name op die scholen met grotere problemen zou moeten richten. Nieuwe richtlijnen over burgerschap mogen in ieder geval niet een extra eis worden aan scholen (de eisen moeten zich niet 'stapelen'), want scholen zijn allergisch voor steeds weer nieuwe regels. Wel is het goed als er wordt nagedacht over hoe om te gaan met burgerschapsvorming, maar de overheid moet scholen de vrijheid geven om de invulling daarvan te verzorgen.

De leerlingen van de verschillende onderwijslagen (van vmbo-kader tot gymnasium) mengen zich niet of nauwelijks. Desgevraagd geeft men aan dat meer interactie tussen deze leerlingen wenselijk zou zijn in het kader van burgerschap, om een gevoel van gelijkwaardigheid te stimuleren. Er liggen nog niet veel concrete ideeën op tafel om deze menging te bevorderen, maar die wordt vooral gezocht in extracurriculaire projecten zoals de Reisweek.

Tot slot gaat het over ideaaltypische manieren waarop het onderwijs ingericht zou moeten zijn. Hierover bestaan duidelijke ideeën bij verschillende van de aanwezigen. Idealiter zouden leerlingen leren om vanuit problemen te werken die ze met de hulp van verschillende vakken en vakdocenten kunnen oplossen. De vakken zijn op dit moment te gescheiden, waardoor leerlingen te weinig gemotiveerd worden, en te weinig de maatschappelijke toepassingen van de lesstof zien. Dit geldt niet alleen voor het OVC, maar voor alle scholen. De problemen bij vernieuwende vormen van onderwijs die een meer geïntegreerde aanpak nastreven zit niet in de middelen, maar in de regelgeving – urentabellen, exameneisen, cao's, enzovoort. Als er meer ruimte zou zijn voor andere manieren om het onderwijs in te richten, zou dat ook de burgerschapsvorming van leerlingen stimuleren: 'We hebben situaties gecreëerd waarin we wel praten over goed burgerschap, maar dat niet echt hoeven te oefenen.'






26 mei 2016

Simon van den Broek

Hyperion Lyceum

Hyperion Lyceum



Als het aan het Hyperion Lyceum in Amsterdam ligt, staat burgerschap vooral voor kritisch kunnen denken en je in kunnen leven in de ander. Bij belangrijke actualiteiten, zoals de aanslagen in Parijs, besluit Hyperion dat voorrang te geven en boven de reguliere lessen te plaatsen. Hebben we het over dit specifieke voorbeeld, begonnen op deze school alle klassen met het behandelen van de aanslagen. Men vindt dat dit veel vaker op dze manier zou kunnen worden gedaan. De meeste docenten geven aan geen moeite te hebben deze onderwerpen te behandelen, maar voor sommigen blijft het wel lastig en is extra ondersteuning absoluut welkom.

Moeilijke thema’s worden vaak door middel van persoonlijke verhalen dichtbij gebracht; bijvoorbeeld een HIV patiënt in de klas of voetballen met asielzoekers. Onderwerpen die met burgerschapsvorming te maken hebben zijn in veel vakken geïntegreerd, zoals bij vakken als Grote Denkers, geschiedenis en Klassieke Talen. Ook bij literatuur staat het inleven in een ander centraal.

De docenten zijn van mening dat ze veel aan burgerschapsvorming doen, iets wat weer resulteert in kritisch betrokken leerlingen. Aan de andere kant is er bij sommige docenten wel enige weerstand tegen het begrip burgerschapsvorming (in combinatie met de overheid). Het is bevoogdend en vooral ook een hol begrip. Wel is het afleveren van ‘goede burgers’ een kerntaak die leeft bij iedere docent. Hierbij zijn ze ook kritisch naar zichzelf en elkaar: de lat mag hierin hoog liggen. In de documentaire zien zij een vakdidacticus zeggen dat je niet teveel van de leerlingen hoeft te verwachten als het gaat om burgerschap. Dit zorgt voor ongeloof bij de betrokken docenten.

Intern gaat de school verder met het begrip burgerschapsvorming. Niet per se met het begrip an sich, maar wel met de inhoud die daarbij hoort. Ze vinden het allen goed om met elkaar over dit onderwerp te praten en geven aan dit vaker te willen doen. Alle aanwezigen kenmerken zich door een heel onderzoekende en open houding naar burgerschap toe.

Wat Hyperion zich nog wel hardop afvraagt, is hoe ze haar leerlingen beter of meer in contact kan laten komen met leeftijdsgenoten uit andere milieus. De meeste leerlingen op het Hyperion hebben hoogopgeleide ouders. Een idee is om meer met peers te gaan doen.






23 mei 2016

Daan Zeijen

Openbare Scholen-
gemeenschap Bijlmer

Openbare Scholengemeenschap Bijlmer



Burgerschap op scholen moet geen afvinklijst van de overheid worden, geen 'project' of een 'uur'. Bij de OSB (Openbare Scholengemeenschap Bijlmer) is men duidelijk: burgerschap is niet iets wat je erbij doet, maar moet geïntegreerd worden in de schoolcultuur.

Na het bekijken van de documentaire 'Maatschappijleer' maken we meteen kennis met het meest unieke element van het onderwijs aan de OSB, als de aanwezige docenten en bestuurders onmiddellijk een kring vormen. Op deze school begint iedere les met een kringgesprek, waarin ruimte is om elkaar te ontmoeten en te bespreken wat er in de klas speelt. Leerlingen worden op veel manieren gestimuleerd om om te leren gaan met verschillen tussen leerlingen: door de kringopstelling, door de aanwezige diversiteit aan leerlingen wat betreft afkomst, milieu enzovoort, en doordat leerlingen van alle niveaus in de eerste twee klassen bij elkaar in de les zitten.

Ons gesprek gaat erover wat maakt dat deze aanpak werkt. Door leerlingen al vanaf het begin van de middelbare school te laten wennen aan deze interactieve lesvorm, en hen regels bij te brengen om met elkaar in discussie te gaan, leren ze verschillen als normaal te zien, en respectvol met elkaar om te gaan. De aanpak van de OSB vraagt tegelijkertijd erg veel van docenten en mentoren. Docenten moeten in staat zijn of leren om de gesprekken die ontstaan te begeleiden, moeten op de hoogte zijn van wat er speelt in de samenleving, en bovendien moet er steeds een balans worden gevonden tussen het bespreken wat er in de klas of de actualiteit speelt, en welke vakinhoud er behandeld moet worden: 'Soms is Engels belangrijk, maar is dat gesprek belangrijker.' Tegelijkertijd geldt dat dezelfde kwesties niet bij elk lesuur besproken hoeven te worden, en dat het ook prima is als de vakinhoud voorrang krijgt: 'Als leerlingen naar huis gaan zonder dat het over Sylvana Simons is gegaan (omdat er een toets op het programma stond), kom ik daar wel overheen. Niettemin geven de docenten aan dat sommige nieuwe collega’s moeite hebben met de kringgesprekken aan het begin van de les, en daarbij coaching nodig hebben en in sommige gevallen ook weer op zoek gaan naar een andere werkplek.

Voor mentoren geldt dat zij een zeer actieve rol spelen op de OSB. Er is bijvoorbeeld veel tijd om leerlingen en ouders te spreken. Dat moet ook, omdat er zoveel diversiteit is wat betreft thuissituaties of culturele achtergrond, en omdat de mentoren 'micro managen' op welke plaats in de klas leerlingen zitten om te sturen met wie zij samen kunnen werken. Dit wordt als positief gekenmerkt, maar een van de mentoren merkt ook op dat het vaak aan tijd ontbreekt om precies uit te zoeken wat er bij een leerling speelt.

Een ander origineel concept om burgerschap te bevorderen is de jongerenrechtbank. Dat is een initiatief van drie scholen, waarbij kleine delicten, met toestemming van de betrokken partijen en het Openbaar Ministerie, worden behandeld door scholieren die getraind zijn om op te treden als advocaat, aanklager en rechter. Meer in het algemeen zien de docenten leerlingenparticipatie echter als een terrein waar nog meer gedaan kan worden in het kader van burgerschap. Zo merkt een van de docenten op dat de OSB geen goed functionerende leerlingenraad heeft en stranden sommige andere projecten zoals het opzetten van een schoolkrant omdat het moeilijk blijkt om afspraken te maken met leerlingen.

Verschillende van de aanwezigen verzetten zich tegen het 'rendementsdenken' van de overheid. De ontwikkeling die leerlingen doormaken door de onderwijsaanpak op de OSB, is volgens hen niet te vangen in bijvoorbeeld competentielijsten. Een van de aanwezigen zegt dat het predicaat van 'excellente school' niet zou moeten afhangen van examencijfers, maar van punten als wat scholen doen op het gebied van burgerschap en sociale vaardigheden. Ook benadrukken de docenten dat, hoewel ze erg trots zijn op de benadering van de OSB, die niet zomaar kan worden overgezet op andere scholen, bijvoorbeeld omdat veel scholen minder heterogeen zijn en de aanpak van de OSB juist wel vaart bij diversiteit. Wel wordt benadrukt dat scholen van elkaar moeten leren, en dat docenten zich verplicht zouden moeten blijven bijscholen. In ieder geval, zo is men het er over eens, zou de overheid niet één aanpak moeten verplichten, maar beleid moeten maken in samenspraak met het onderwijs.






17 mei 2016

Daan Zeijen

Katholieke Scholen-
gemeenschap Etten-Leur

Katholieke Scholengemeenschap Etten-Leur



Vandaag: de Katholieke Scholengemeenschap Etten-Leur (KSE). Er is brede belangstelling voor de discussiemiddag. We zitten met iets meer dan twintig mensen in een zaal: betrokkenen bij de film (makers en hoofdrolspelers) en de verantwoordelijke sectie- en afdelingsleiders voor het vak Maatschappijleer op de KSE, maar ook docenten van andere vakken, en een aantal leerlingen.

We zien de documentaire, waarin Daan gevolgd wordt tijdens zijn eerste jaar als docent maatschappijleer, begeleid door de ervaren docent Riël van Gastel. Na de film komt het gesprek op gang met de vraag: wat hoort nu typisch bij burgerschapsvorming? Het op een respectvolle manier kunnen onderbouwen van je mening wordt vaak genoemd, net als je bewust worden van de manier waarop de media gebeurtenissen framet, en door te participeren in de samenleving in contact komen met andere groepen mensen. Al snel komen er voorbeelden: een docent haalt een project aan waarbij leerlingen langsgaan bij dementerende ouderen in een verzorgingshuis vlakbij de school, en een leerlinge vertelt hoe er onderling gesproken wordt over bijvoorbeeld de aanslagen in Parijs, waarbij je alles mag zeggen, ‘zolang het netjes blijft’. Ook blijkt dat er op deze school veel aandacht is voor maatschappelijke stages. Er is kortom genoeg stof om over te spreken.

De overheid wil graag dat het onderwerp burgerschapsvorming een plek krijgt in het hele onderwijs. Het afdelingshoofd van KSE vertelt dat vrijwel alle vaksecties ook elementen van burgerschap herkennen in hun eigen lessen, en voegt daaraan toe dat de school het belangrijk vindt dat leerlingen zich ontwikkelen tot kritische en betrokken burgers. Met die gedachte in ons achterhoofd gaan we in groepjes uiteen, om in kaart te brengen wat er op dit moment gedaan wordt aan burgerschapsvorming op de KSE, en hoe de burgerschapsvorming op school er idealiter uit zou zien. Koppelingen met burgerschap blijken in allerlei vakgebieden aanwezig te zijn. Bij het vak Nederlands leren leerlingen debatteren en worden schrijvers uitgenodigd die boeken schrijven over diversiteit in de samenleving. Bij gym leren leerlingen om respectvol met elkaar om te gaan, en bij wiskunde worden sommen vaak ingekaderd in een verhaal dat iets zegt over de samenleving. Wel is men het erover eens dat deze thema’s bewuster mogen worden aangestipt, bijvoorbeeld door docenten ze te expliciet te laten benoemen, en/of door leerlingen ieder jaar een ‘burgerschapsportfolio’ te laten maken, waarin zij hun eigen ontwikkeling als burger in kaart brengen.

Daarnaast worden er tal van projecten georganiseerd. De school heeft een Goededoelendag, waarop leerlingen de handen uit de mouwen steken, waarbij leerlingen zich het liefst richten op lokale initiatieven om de betrokkenheid te vergroten. In de brugklas bezoeken leerlingen op ‘heemdagen’ verschillende bedrijven en organisaties, en in de vierde klas lopen alle leerlingen een maatschappelijke stage van 20 uur, waarin ze vrijwilligerswerk doen. Nu betekent dat bijvoorbeeld dat leerlingen vrijwilligerswerk doen bij de hockeyclub of muziekvereniging. Leerlingen en docenten zijn het erover eens dat leerlingen voor deze stage meer aangespoord zouden moeten worden om het vrijwilligerswerk buiten de eigen leefwereld uit te voeren. Er worden gastsprekers uitgenodigd, en er zijn ideeën voor meer excursies ‘naar buiten’, ook meer verspreid over de lesjaren. Tot slot wordt ook leerlingenparticipatie in het schoolbeleid als belangrijke kans genoemd om burgerschap te bevorderen. Deze participatie kan worden uitgebreid, door leerlingen te betrekken bijvragen van de inhoud van het onderwijs tot: ‘hoe ziet ons gebouw eruit?’

De overtuiging dat de doelstelling van burgerschapsvorming breed gedragen moet worden – en niet alleen in de lessen maatschappijleer van belang is – wordt door alle aanwezigen beaamd. In veel vakken speelt het thema burgerschap een rol, en het zou goed zijn als leerlingen zich hiervan explicieter bewust worden. De nu al verschillende bestaande initiatieven kunnen worden gecontinueerd, uitgebreid of aangescherpt, en er zijn inspirerende nieuwe ideeën bedacht. Aan het eind van middag heeft de discussie veel nieuwe inspiratie opgeleverd. Het is duidelijk: de KSE maakt werk van burgerschap.






17 mei 2016

Leidsche Rijn College

Leidsche Rijn College



Vandaag waren we bij het Leidsche Rijn College in Utrecht. Mede het bijwonen van een Bildung lezing enthousiasmeerde de schoolleider om burgerschapsvorming meer onderdeel te maken van zijn school. De bijeenkomst werd dan ook gezien als een eerste stap om samen met docenten te gaan sparren.

In de les wordt door veel docenten ‘iets bespreken’ als ‘debatteren’ begrepen, waardoor een aantal van hen angst voor spanning en onrust in de les ervaren. Om discussies niet uit de hand te laten lopen zijn in ieder geval een handvol docenten het roerend met elkaar eens over het belang van feitenkennis. Zo ervaart de maatschappijleerdocent ook dat zij als docent veel moet weten om goed een gesprek te kunnen voeren. Ze moet weten waar ze het over heeft. De docent klassieke talen beschouwt bronnenonderzoek als belangrijk onderdeel van burgerschapsvorming.

Waar iedereen het unaniem met elkaar over eens is, is dat er overleg en afstemming onderling moet komen over wie wat gaat doen met burgerschapsvorming binnen het eigen vak. Maar wat is daarvoor nodig?

Commitment van ouders wordt genoemd. Met name sociale omgangsvormen kan de school als opdracht niet volbrengen zonder de cruciale ondersteuning vanuit de ouders. De een vindt de burgerschapsopdracht maar vaag en abstract, hoe kun je zoiets dan überhaupt invulling geven binnen je eigen les? De ander vraagt zich af hoe je als docent neutraal kunt blijven in de gesprekken met de klas, zonder hun mening te vormen of te beïnvloeden. De docent Nederlands geeft aan dat er veel meer tijd en flexibiliteit nodig is om de opdracht volwaardig te kunnen integreren binnen de school. Weer een ander roept dat er echt afstemming nodig is met de docenten onderling, zodat niet alle 70 docenten op eigen houtje aan de slag gaan. Er moeten wat afspraken over gemaakt worden.
Er wordt ook geconstateerd dat het basisonderwijs een cruciale rol speelt, zeker als het gaat om sociale omgang, hier wordt per slot van rekening de basis gelegd. De schoolleider is er stellig in dat burgerschapsvorming niet meetbaar moet worden gemaakt. Als dit wel gebeurt, verlies je de essentie en motivatie en wordt het te strak neergezet als een vak, een klusje. Dan mis je het doel.

Het laatste punt waar iedereen het met elkaar over eens lijkt te zijn, is dat burgerschapsvorming ‘al gebeurt’. Het mag echter nog wel een prominentere rol binnen de school en in de lessen krijgen. Dat burgerschapsvorming op het Leidsche Rijn College nog in de kinderschoenen staat, is een feit, maar nog belangrijker is dat de schoolleiding ernaar uit ziet om hier meer aandacht aan te besteden.






10 mei 2016

Marjolein Burgerhout

Goudse Waarden

Goudse Waarden



Naar aanleiding van de VPRO-documentaire ‘Maatschappijleer’ vinden er de komende weken op verschillende middelbare scholen gesprekken plaats over de rol van burgerschapsvorming in het onderwijs. De eerste school van de burgerschapstour: de Goudse Waarden in Gouda.

Op deze christelijke scholengemeenschap is men het er stellig over eens: hier wordt al actief aan burgerschapsvorming gedaan. De belangrijkste insteek voor hen is het plegen van overleg vanuit hun christelijke identiteit.

Het toepassen van burgerschapsvorming neemt verschillende vormen aan. Zo is er een divers aantal manieren in het leven geroepen om van hun leerlingen ‘goede burgers’ te maken. Je kunt denken aan projecten, hun leerlingenparlement en verkiezingen, maatschappelijke stages. Ook is er iedere dag een Christelijke dagopening en staat de school voor het uitdragen van een duidelijk, ethisch stempel en daar bijbehorende gedragscodes.

Burgerschapsvorming volgens de docenten omvat oneindig veel aspecten, waaronder: samenleven, contact met elkaar maken, begrip van democratie, leren omgaan met tegenstellingen en belangenstrijd, het stellen van vragen en natuurlijk; kritisch denken.

De schoolleiding vindt dat niet alle docenten expliciet aandacht aan burgerschapsvorming hoeven te besteden, het ligt de ene docent nu eenmaal beter dan de ander. Onderling wordt er wel op elkaar afgestemd wie gesprekken gaat voeren. Zij vinden dat een docent er gevoel, maar vooral ook zin in moet hebben.

Docenten zijn het unaniem met elkaar eens over het feit dat er veel beren op de weg liggen. Tijd en ruimte in het rooster is het meest genoemde obstakel in de verkenning naar het toepassen van burgerschapsvorming op school. Ook is het lastig om burgerschapsvorming binnen het reguliere lesprogramma te integreren, om daar een goede balans in te vinden. Er is lef voor nodig om beslissingen te nemen over het wat je als docent belangrijk vindt om te doen.

Het lastig te omschrijven begrip burgerschapsvorming is ook nog eens moeilijk te meten. Wanneer is het eigenlijk voldoende? Is het meetbaar? Zou het meetbaar moeten zijn? Beschikt iedereen over de vaardigheid om burgerschapsvorming binnen hun eigen vak toe te passen?

Volgens het gros van de docenten is er ook nog iets anders aan de hand: de mindset. In plaats van het te zien als een extra klus of opdracht, zou men het moeten beschouwen als onderdeel van het werk. En dat roept weer de volgende vraag op: wie heeft deze opvoedtaak? Is dat de school? Of toch de ouders?

Als opstapje voelt elke docent iets voor een intervisiegroep gericht op burgerschapsvorming, zodat er een duidelijkere structuur ontstaat waarbinnen docenten kunnen overleggen en samenwerken.